Ik ben grotendeels opgegroeid op de boerderij van mijn opa en oma, twee geweldig lieve mensen. Opa was altijd buiten: dieren verzorgen, mollen jagen, weilanden onderhouden en in het voorjaar in de moestuin werken. Daar verbouwde hij onder meer stokbonen, aardappels, rabarber en sla, en voederbiet om ’s winters aan de koeien te voeren. Oma zorgde voor het huishouden, de bloementuin en het eten.
De warme maaltijden maakte ze klaar in de keuken in het achterhuis van de boerderij. Daar stonden petroleumstellen en twee gaspitten. ‘s Morgens gingen de stokbonen op het petroleumstel en ‘s avonds waren ze zo gaar dat ze uit elkaar vielen. Tot mijn zevende jaar stonden de koeien in de winter ook in dit achterhuis. Als ik bij oma in de keuken ging kijken, stond ik dus bijna tussen opa’s acht koeien. Later stonden de koeien ’s winters in een aparte schuur; net als in het achterhuis netjes naast elkaar, met aan de linkerkant van iedere koe een drinkbak.

Moderne loopstallen, waarin koeien loslopen op betonnen roosters waardoor de mest en urine verdwijnen, bestonden toen nog niet. Als de koeien binnen stonden, moest opa dus ’s ochtends en ’s avonds stront scheppen. Wanneer de koeien in het voorjaar het achterhuis verlieten, was het tijd voor de grote schoonmaak. De koestalling werd helemaal geboend en gewit en er kwamen planken om de stallingen. In de zomer was dit opgefriste achterhuis onze eetkamer, in de winter aten we in de woonkamer bij de warme gaskachel.
Als een koe ging kalveren was ik er ook vaak bij. Als klein meisje kon ik trouwens alleen maar toekijken; het kalf eruit trekken als de bevalling moeizaam gaat, is heel zwaar werk. Als het kalf eenmaal geboren was, kon ik wel helpen met de flesvoeding. De kalveren stonden namelijk wel in dezelfde stal als hun moeders, maar ze mochten niet zelf bij de moeder spenen. Daar was geen ruimte voor en zo werden de kalveren ook sneller tam, zodat het melken later makkelijker zou gaan. Ik vond het elke keer weer jammer als de kalveren na een paar dagen al melk uit de emmer dronken.

Ook als opa niet met de koeien bezig was, was ik vaak met hem aan het werk. Als in de zomer het hooi werd opgehaald met de tractor, liep ik vooruit om jonge hazen weg te jagen. Die bleven anders van schrik doodstil liggen waar ze waren. Ik bracht of joeg ze naar de slootkant, waar altijd een halve meter gras ongemaaid bleef. Of ik struinde over het erf met een Barnevelder in mijn armen. Die grote kippen scharrelden los rond de boerderij en konden heel tam worden. Opa had het puntje van hun snavel een beetje weg gevijld, zodat ze me niet konden verwonden als ik ze uit de hand voerde. Een ander favoriet tijdverdrijf was een rondje maken op de rug van een van de drie varkens. Die hadden een eigen hok met een modderpoel en een stuk weiland.


Als mijn opa nu nog had geleefd, dan zou hij een biologische hobbyboer worden genoemd. Want waar anders zie je tegenwoordig nog een varken buiten in de wei lopen? Zelfs de muizenfamilie die in een hoekje bij de hooischuur woonde, kreeg van mijn opa alle ruimte. Hij vond het prima dat ik ze brood of kippenvoer gaf, hoewel hij het graan voor de kippen wel uit voorzorg in een ijzeren vat met houten deksel had gedaan, buiten bereik van de knaagdieren. Zo was ik altijd met dieren in de weer. Ontelbaar veel biggetjes, kalfjes, verdwaalde haasjes, uit het nest gevallen vogels en eendjes heb ik met de fles grootgebracht.
Als ik naar bed ging, moesten al mijn pluchen knuffeldieren mee: zestien stuks, waaronder een krokodil van bijna een meter lang. Ik was zo’n tien minuten bezig om ze allemaal netjes in bed te krijgen, waarna in het midden nog net genoeg ruimte over was voor mij om in te kruipen. Dan pas riep ik opa of oma om me te laten instoppen. Met mijn dieren om me heen was ik de hele nacht veilig voor de monsters die de boerderij ’s nachts lieten kraken en piepen, de beesten die over de zolder tippelden en de schaduwen die door mijn slaapkamerraam naar binnen vielen.
Ik stond dus op met dieren en ik ging met ze slapen. Zelfs als opa en ik samen een uitstapje maakten, draaide dat vaak om dieren. Als er veemarkt was in ’s-Hertogenbosch gingen we daar altijd naartoe. Dit waren voor mij als klein meisje geweldige uitstapjes. Opa kocht nooit een koe; hij vond het gewoon leuk om met andere boeren te praten en koeien te bekijken.

Alexandra Klimas 2009, Art & Antiques Fair ’s-Hertogenbosch, Galerie Lieve Hemel.

Art & Antiques Fair, Koe Amy, olieverf op doek, 50 x 40 cm, © 2009 Alexandra Klimas
De veemarkt in ‘s-Hertogenbosch bestaat niet meer. Het hoofdgebouw van de veemarkt is nu onderdeel van de Brabanthallen. In diezelfde Brabanthallen waren in 2009 mijn koeienschilderijen voor het eerst te zien op de Art en Antiques Fair. Ruim een kwart eeuw nadat ik er voor het laatst met mijn opa was geweest, stond ik dus weer in de Brabanthallen naar koeien te kijken, maar nu waren het míjn koeien. Ik weet zeker dat opa supertrots op me zou zijn geweest.
Alexandra Klimas